In 2024 werd de subsidie van theatergroep De Warme Winkel plotseling ingetrokken door het Fonds Podiumkunsten. Dit nieuws was een zware tegenslag voor het gezelschap. Acteur en mede-oprichter Vincent Rietveld deelde vervolgens zijn visies over hoe het subsidieproces verbeterd kon worden om zowel duurzamer te zijn voor de kunstenaars als efficiënter voor de gehele theatersector.

In datzelfde jaar moesten wij, De Warme Winkel, onverwacht afscheid nemen van onze structurele subsidie, die we sinds 2013 ontvingen. Met een fondsenwervingsactie slaagden we erin de financiering die we nog van het Amsterdams Fonds voor de Kunst ontvingen, te verdubbelen. Veel belangrijke fondsen en donateurs reageerden positief op het feit dat het Fonds Podiumkunsten een vergissing had begaan en dat ons gezelschap de komende vier jaar ondersteund moest worden. Ondanks het succes van deze campagne, blijft het verlies van de subsidie een pijnlijk punt voor ons gezelschap, dat nog steeds in herstel is.

Tijdens dit proces van herstel en bezinning heb ik – naast de bijkomende emoties, rechtszaken en vele extra werkuren – een reeks overtuigingen en ideeën ontwikkeld over hoe het subsidieproces van het FPK verbeterd kan worden. Dit met het doel om het duurzamer en efficiënter te maken voor alle betrokkenen in de theaterwereld.

Het huidige systeem werkt destructief voor kunstenaars en leidt tot verspilling van zowel kapitaal als talent, wat volkomen onnodig en uiterst betreurenswaardig is. Er zou een traject moeten zijn waarbij groepen en kunstenaars kunnen groeien in termen van budget en tegelijkertijd uitzicht hebben op een langdurige carrière in het theater, zonder dat dit ten koste gaat van innovatie en de kansen voor nieuwe talenten. Ik ben ervan overtuigd dat dit haalbaar is met de onderstaande voorstellen, die hopelijk bijdragen aan een duurzamere en bloeiende sector.

Probleemrijk systeem
Vanaf mijn afstuderen in 2002 heb ik gezien hoe succesvolle groepen die een breed publiek bereikten (zoals Alex d’Electrique, Bambie en de Appel) uit de subsidierondes werden gestoten. In de meest recente ronde verloren 42% van de bestaande groepen hun subsidie, een historisch dieptepunt. Deze groepen moesten hun activiteiten staken of hebben een onherstelbare klap gekregen doordat ze afhankelijk waren van subsidie die plotseling volledig wegviel. Ook al bevonden niet al deze groepen zich meer in de voorhoede van artistieke vernieuwing, het is problematisch als enkel vernieuwing wordt gesteund.

Theatergroep tijdens repetitie en voorbereiding van een voorstelling
Succesvolle theatergroepen verdienen stabiliteit en groeiruimte.

Bovendien wordt er veel geld verspild doordat vernieuwing wordt verward met verjonging. Zolang groepen geen verbinding kunnen maken met een commerciële sector, een flexibelere culturele basisinfrastructuur (BIS) of een andere uitweg hebben om zelfstandig te worden, lijkt het FPK slechts bomen te planten om ze vervolgens te vroeg te kappen.

Historisch gezien lijkt er een ongeschreven regel te zijn dat je na drie kunstenplanperiodes plaats moet maken. Dit is een schadelijk systeem: slecht voor de makers, het publiek en de sector in zijn geheel.

LEES  Zomerstop Theaters: Wilminktheater Enschede krijgt gloednieuwe trekkenwand!

Elk jaar stromen er nieuwe makers van de toneelscholen die klaar zijn om te beginnen. Sommigen kunnen aan de slag bij een instelling, anderen maken iets voor een festival, en er ontstaan nieuwe samenwerkingsverbanden. Deze kunnen soms een projectsubsidie ontvangen, een impresario inhuren of zelf iets organiseren op een festival. Veel van deze groepen vallen uiteindelijk uit elkaar, maar sommigen hebben succes, blijven bestaan en streven naar een meerjarige projectsubsidie. Naarmate deze groepen langer bestaan, worden ze duurder. Hun ambities en verplichtingen nemen toe, net als hun personeelsbestand en overhead. Dit wordt bij succesvolle groepen gestimuleerd door subsidies. Hoe meer subsidie, hoe meer vereisten zij moeten naleven: fair practice, culturele governance, diversiteit en inclusie, spreiding, sociale veiligheid en ondernemerschap. Hierdoor professionaliseren de groepen en stijgen de kosten.

Het is duidelijk dat niet alle groepen binnen de beschikbare subsidieruimte kunnen blijven groeien. Daarom vallen groepen af. Soms is dit positief, maar meestal is het een groot verlies. Want met het verdwijgen van deze grotere groepen verdwijnt ook publiek, netwerk en infrastructuur. Dit is een slecht vooruitzicht voor jonge makers die hun hart en ziel, energie en inspiratie in deze sector willen steken. In de commerciële wereld zou dit beschouwd worden als een slecht investeringsklimaat.

Met de oprichting van de BIS in 2006 werd het kunstenveld opgesplitst: in de BIS kwamen alle instellingen die moesten blijven bestaan met extra taken en zonder onzekerheid; de rest kon via de fondsen al dan niet meerjarige projectsubsidies aanvragen. Het was altijd de bedoeling geweest dat fonds- en BIS-gezelschappen gelijkwaardig naast elkaar zouden staan en dat sommige groepen hun hele carrière bij het FPK zouden blijven. De grotere clubs in het fonds hebben een even groot bereik en belang als kleinere BIS-gezelschappen. Een gezelschap dat al twintig jaar zijn sporen heeft verdiend, een organisatie en een achterban heeft opgebouwd, hoeft niet direct in de BIS-structuur, maar kan ook zeker niet hetzelfde worden behandeld als een groep die net drie producties heeft gemaakt.

Het FPK zou moeten zorgen voor een gezond investeringsklimaat waarin makers uitzicht hebben op een mooie carrière en private investeerders verzekerd zijn van een heldere en betrouwbare subsidieverstrekking door de overheid.

Vier voorstellen voor verandering
Ik denk dat de volgende vier veranderingen in de subsidieaanpak van het FPK zeer gunstig zouden zijn:

Financiële documenten en planningsmateriaal op een werktafel
Vier concrete voorstellen voor een beter subsidiesysteem.
  1. Een integrale beoordeling
  2. Een waarschuwingssysteem
  3. Een subsidieplafond
  4. Een matchingregeling

Er is veel steun voor een integrale beoordeling in elke subsidieronde, om incidenten zoals in de laatste ronde gedeeltelijk te voorkomen. Dit lijkt een logische stap nadat adviescommissies (die slechts één categorie zien en aanvragen individueel beoordelen) hun werk hebben gedaan, zodat het FPK kan controleren of het landschap van de podiumkunsten in zijn geheel niet misvormd raakt, en indien nodig kan bijsturen.

Er zou ook een waarschuwingssysteem moeten komen, dat voorkomt dat succesvolle groepen in juli te horen krijgen dat ze vijf maanden later moeten stoppen. Dit systeem wordt al gebruikt in Italië en werkt uitstekend. De waarschuwing zou in de vorm van een subsidiekorting van 20 procent komen. Dit is een harde klap, maar grotere groepen zouden dit moeten kunnen opvangen. Hierdoor krijgen ze de tijd om hun beleid aan te passen aan de eisen van het fonds of om alternatieve inkomstenbronnen aan te boren. Subsidie zou bij groepen en makers die al twee kunstenplannen hebben doorlopen pas moeten worden stopgezet na één of twee waarschuwingen. Door dit waarschuwingssysteem zijn groepen/makers die langer meedoen ook langer verzekerd van financiering. Adviesbureau Blueyard stelde onlangs een soortgelijke differentiatie voor in het veld. Een onderdeel van het waarschuwingssysteem zou ook een koppeling tussen de monitoringsgesprekken en de toekenning van subsidie moeten zijn. Op dit moment kun je jaar na jaar positieve gesprekken hebben met het FPK, zonder ooit kritiek te horen, en toch uit het systeem vallen.

LEES  Hollandia Revolutioneert Theater: Ontdek Hoe Ze Theatergeschiedenis Schrijven!

Het waarschuwingssysteem lijkt mij voor makers en groepen beter dan een onderscheid in vier of acht jaar subsidie, waar nu over gesproken wordt. Want na acht jaar kun je alsnog van grote hoogte naar nul vallen.

Daarnaast pleit ik voor een lager subsidieplafond voor de grootste instellingen, bijvoorbeeld 500.000 euro. Daarbovenop zouden groepen moeten kunnen groeien door gebruik te maken van extra regelingen: groepen die talentontwikkeling in huis hebben zouden dat via de jongemakersregeling kunnen doen; groepen die internationaal werken via de internationale coproductieregeling; groepen die grotezaalvoorstellingen willen maken via een nieuw op te zetten grotezaalregeling. In de praktijk zijn dit aanvragen die groepen meestal toch al moeten schrijven voor aanvullende financiering. Dit lagere subsidieplafond geeft ook handen en voeten aan de solidariteit waar na elke ronde door de groepen op wordt gehamerd.

Om het voor die grotere groepen toch mogelijk te maken om verder te groeien, pleit ik ten slotte voor een nieuwe matchingsregeling. Boven het genoemde subsidieplafond zou het FPK zich moeten verplichten extra subsidie te geven, als dit gematcht wordt door private ondersteuning die de groep zelf binnenhaalt. Net zoals groepen een eigen-inkomstenquotum moeten halen, zou het FPK zich moeten verplichten om donaties (tot een bepaalde hoogte uiteraard) te matchen.

Het FPK eist nu dat gezelschappen de subsidie van het fonds verdubbelen met ondersteuning vanuit de gemeenten, publieksinkomsten en andere financiering (de eigen-inkomstenquotum). Matching zou moeten gaan om het verdubbelen van de private ondersteuning die gezelschappen weten te vinden bovenop dat eigen inkomstenquotum – zowel van private fondsen als van individuele donateurs.

Hierdoor kunnen makers en groepen groeien in hun plannen en ambitie, zonder dat de afhankelijkheid van subsidie toeneemt. Daarnaast weet de subsidiënt zich verzekerd van draagvlak voor de projecten en groepen die het ondersteunt, en zijn mecenassen blij omdat hun bijdrage iets teweegbrengt. Ten slotte kan de sector als geheel groeien, omdat succesvolle groepen niet zomaar uit het subsidiesysteem geknikkerd kunnen worden, maar doorgroeien zonder dat ze een rem zijn op verjonging.

LEES  Rupert Tookey Topman bij Rotterdamse Danswedstrijd: Nieuwe Leider voor Choreografie Competitie

Katalysator
De afgelopen ronde toonde aan dat een aantal grotere groepen het draagvlak en het netwerk heeft om alternatieve financiering te vinden. Waarom hebben ze dat niet eerder ingezet? Omdat die noodzaak er niet was. Natuurlijk was het voor private financiers prestigieuzer om in te springen bij een existentiële case als De Warme Winkel, dan in de reguliere werking van een theatergezelschap. Maar hier kan een cultuuromslag ontstaan als de matchingsregeling van het FPK dit stimuleert.

Als het vanaf het begin van een makerscarrière duidelijk is dat naarmate de subsidie groeit, ook het aandeel privaat geld groter zal moeten worden (publieksinkomsten, private fondsen, donaties), dan zullen makers en groepen daar veel eerder constructief aan bouwen. Een matchingsysteem geeft helderheid. Makers die voor de tweede kunstenplanperiode meerjarige subsidie krijgen, weten al dat als ze over vier jaar financieel verder willen groeien, ze ondersteuning uit hun achterban of de markt moeten halen.

In de gesprekken die wij het afgelopen jaar hebben gevoerd, blijkt dat zowel mecenassen als fondsen het heerlijk vinden als hun ondersteuning leidt tot meer ondersteuning. Beide partijen hebben het gevoel dat hun bijdrage wordt verdubbeld en dat resulteert in een vliegwieleffect.

Een matchingsregeling met een waarschuwingssysteem is daarbij een gunstige combinatie: als goed presterende gezelschappen niet zomaar uit het systeem kunnen vallen, is het aanlokkelijker voor donateurs om theatergroepen langere tijd te ondersteunen.

Nog een voordeel van een waarschuwingssysteem, een integrale beoordeling en een automatische matchingsregeling: de invloed van adviescommissies neemt af. Hierdoor zal het het fonds makkelijker kwalitatieve adviescommissies kunnen samenstellen, waardoor het peer review systeem misschien toch kan blijven bestaan.

Deze ideeën voor het FPK zullen het risico voor makers en groepen verminderen door het verkleinen van de afhankelijkheid en het zou makers een fatsoenlijk groeiperspectief bieden. Zo wordt de sector weerbaarder, de samenleving sterker bij de sector betrokken en dus het draagvlak en de impact van de sector vergroot.

Beeld: Herman van Bostelen