De vraag hoe ik als dramaturg een theatervoorstelling analyseer, houdt me zelden bezig, omdat ik voornamelijk op intuïtie vertrouw. Toch bouw ik met elk project voort op opgedane kennis en ervaring, die zich laag voor laag opstapelt en een basis vormt voor mijn intuïtieve benadering. Echter, naar mijn mening ontbreekt er vaak een wetenschappelijke onderbouwing. Toen ik eind 20e eeuw theaterwetenschap studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, was de wetenschappelijke vorming niet altijd diepgaand, wat voor ons als studenten destijds geen probleem was. We brachten veel tijd door in het Universiteitstheater en leerden door eigen producties te maken.
De opleidingen voor dramaturgen in Utrecht en Amsterdam, waar de meeste Nederlandse dramaturgen worden opgeleid, hebben de afgelopen twintig jaar een belangrijke theoretische verdieping ondergaan. Tegelijkertijd verbaasde ik me soms over stagiairs dramaturgie die weliswaar een uitstekende theoretische basis hadden, maar moeite hadden met het duiden van intermenselijke processen tijdens repetities of niet begrepen dat een gesprek met een acteur anders benaderd moet worden dan een gesprek met een regisseur of ontwerper.
Dat gezegd hebbende, is goed gereedschap voor scherpe analyse essentieel. Dit besef werd versterkt toen ik het boek Performance Research Methods, Interdisciplinary Methods for Theatre, Dance and Performance Studies las. Hierin gebruikt Sruti Bala bijvoorbeeld het concept ‘discourse’ van Michel Foucault om de maatschappelijke dimensie van voorstellingen te onderzoeken. Discoursen zijn sociale systemen waarbinnen kennis en betekenis worden gevormd. Met dit concept kun je de relatie tussen een voorstelling en de samenleving analyseren, maar ook hoe verschillende maatschappelijke groepen soms tegenstrijdige betekenissen kunnen hechten aan dezelfde voorstelling. Dit alles speelt een rol in de dynamiek tussen maker, kunstwerk en maatschappij. De voorstelling Dear Winnie, (KVS/NITE 2019), waaraan ik meewerkte, behandelde de positie van zwarte vrouwen en hun verzet tegen een systeem dat hen liever negeert. De productie belichtte precies deze strijd om kennis en betekenis. Meer kennis van een methodologisch kader, zoals voorgesteld door Sruti, had ons team zeer kunnen versterken.
Het bundelen van deze kennis is het doel van Performance Research Methods. Redacteuren Liesbeth Groot Nibbelink en Laura Karreman, beiden verbonden aan de afdeling Media and Performance Studies van de Universiteit Utrecht, willen een diversiteit aan analysemethodes aanbieden aan performancewetenschappers en dramaturgen. Dat het boek zo’n 450 pagina’s telt, spreekt boekdelen.
In hun inleiding stellen Karreman en Groot Nibbelink dat de traditionele analysemethodes, zoals theatersemiotiek of scène-analyse, niet meer volstaan. Performances zijn interdisciplinairer geworden en vertelstructuren veel diverser dan die van Aristoteles of Brecht. Ook de maatschappij waarin het theater zich bevindt, is complexer geworden. Daarnaast hebben performance studies zich verdiept in analysemethodes uit andere domeinen zoals filosofie, genderstudies, antropologie en sociologie.
De redacteuren hebben geprobeerd orde te scheppen in de veelheid van mogelijke analysemethodes door collega-wetenschappers te vragen één methode die zij aan hun studenten leren uit te leggen volgens een vast format. Deze methodes zijn vervolgens thematisch ingedeeld, waarbij sommige delen zich focussen op de analyse van de voorstelling zelf, en andere delen op de relatie tussen voorstelling en samenleving. De laatste delen behandelen intersectionaliteit en de rol van de kunstenaar/wetenschapper als onderzoeksobject, en werk waarbij wetenschappelijk en artistiek onderzoek soms te ongrijpbaar door elkaar lopen.
In deze laatste delen begon ik me af te vragen of de selectie van methodes niet kritischer had kunnen zijn. De beschreven onderzoeksmethoden zijn zeer specifiek, soms omdat de onderzoekers zelf betrokken waren bij het project, het onderzochte object zelf vormden (‘Autoetnografie’), of hun wetenschappelijk onderzoek in een specifieke artistieke vorm goten. Dit beweegt zich soms naar de uitersten van wetenschap en activisme. Een concept als ‘hyphenated thinking’ voelt ver verwijderd van mijn dagelijkse praktijk. Dat betekent niet dat het voor een enkele student of maker niet waardevol kan zijn, maar het laat wel zien hoe ongelofelijk klein en gefragmenteerd het vakgebied is: je zou voor elk kunstwerk een eigen hyper-specifiek theoretisch model kunnen opzetten. Maar wie heeft daar behoefte aan?
Ondanks deze kritiek is de bundel een indrukwekkende en waardevolle verzameling gereedschappen voor makers, wetenschappers en dramaturgen om in te duiken. Elk artikel bevraagt op eigen wijze wat dramaturgie is en hoe deze zich verhoudt tot academisch denken, de steeds veranderende artistieke methodes en de relatie tussen deze drie. Dit is, juist door de relatieve kloof tussen theorie en praktijk, maar ook omdat het veld van performance zo divers, interdisciplinair en ongrijpbaar is, meer dan nuttig.
Performance Research Methods. Interdisciplinary Methods for Theatre, Dance and Performance Studies,
onder redactie van
Liesbeth Groot Nibbelink en Laura Karreman is uitgegeven bij Open Book Publishers, 478 pagina’s.
Vergelijkbare berichten
- Dramaturgen lanceren MoMo: Nieuwe beroepsvereniging zet theaterwereld op zijn kop!
- Dramaturgie in de Spotlight: De Balans tussen Zorg en Confrontatie in Modern Theater
- Ontmoet de Topkandidaten voor de Mime/Performance Prijs: Wie Wint?
- PodiumINC lanceert revolutionair platform: Inclusieve podiumkunsten nu online!
- Acrodanser Tim van den Bos de Lucas verovert BNG Circusprijs 2025: Spectaculaire overwinning!

Loes Bakker is onderwijsspecialist met jarenlange ervaring in beleid en praktijk. Haar bijdragen gaan over vernieuwing, digitalisering en pedagogische kwesties in het onderwijs. Ze legt onderwijsontwikkelingen kritisch bloot, altijd met een hart voor leerlingen, leerkrachten én een toekomstgericht onderwijssysteem dat iedereen gelijke kansen biedt.