Welke personen helpen we onze jongeren te worden? En zijn we bereid zelf die personen te zijn? Dit waren de kernvragen tijdens de Staat van het Jeugdtheater 2026, voorgedragen door theatermaker Priscilla Vaudelle tijdens het Jeugdtheatergala in Theater De Krakeling gisteren.
Ik wil beginnen met een punt dat naar mijn mening te weinig aandacht krijgt.
Jeugdtheater is niet slechts een bijzaak in de kunstwereld.
Het is niet simpelweg een oefenplek voordat we aan het ‘echte werk’ beginnen.
Dit ís het echte werk.
En wellicht is het zelfs het meest oprechte werk dat er bestaat. Kinderen hebben immers een hekel aan onzin.

Je kunt nog zo’n prachtig decor opzetten, de verlichting perfect afstellen en een artistiek verhaal presenteren waarbij iedereen instemmend knikt… als het niet aanspreekt, voelen zij dat.
Dan denkt er ergens een kind in rij drie: wanneer is het pauze?
En, eerlijk gezegd, dat waardeer ik.
Kinderen dwingen ons steeds terug te keren naar de enige vraag die echt telt:
Is dit echt?
Thuis heb ik ook zo iemand rondlopen.
Mijn zoon, Blazy-Jo, acht jaar oud, is mijn grootste spiegel.
Hij is mijn strengste criticus, en soms gewoon de moeilijkste toeschouwer.
Hij klapt niet uit beleefdheid. Als hij iets niet snapt, vraagt hij waarom. Als iets saai is, zie ik dat aan alles. En als iets hem raakt, komt er geen analyse over dramaturgie of vormgeving.
Dan zegt hij gewoon: ‘Mama, dat was echt leuk!’
Klaar.
Blazy weet inmiddels meer over dinosaurussen dan ik ooit zal weten. De rest van de wereld ontdekt hij wel online. Waarschijnlijk weet hij binnenkort ook beter dan ik hoe mijn telefoon werkt.
Dus ik heb iets over moederschap geleerd.
Mijn taak is niet om hem alles te leren. Mijn taak is om hem dingen mee te geven die hij niet kan googelen.
Hoe je liefhebt zonder jezelf te verliezen. Hoe je sorry zegt zonder je kleiner te voelen. Hoe je vergeeft zonder te doen alsof het geen pijn deed. Hoe je grenzen stelt zonder je hart te sluiten.
Ik wil dat hij begrijpt dat zijn waarde niet groter wordt door anderen te kleineren. En dat een fout niet betekent dat je een mislukkeling bent.
En misschien wel het allerbelangrijkste: dat hoop niet naïef is.
Hoop is soms gewoon besluiten: dit is niet het einde van mijn verhaal.
Dat wil ik hem bijbrengen.
Niet omdat ik het zelf allemaal perfect doe. Zeker niet.
Ik heb fouten gemaakt, mensen verkeerd begrepen, ben soms te streng geweest en andere keren te zacht. Ik heb te lang vastgehouden en te snel losgelaten.
Maar ik probeer hem een voorbeeld te geven van iets dat steeds belangrijker voor mij wordt:
Hoe blijf je menselijk als het leven je hard heeft behandeld?
En misschien gaat jeugdtheater daar ook wel over.
Niet kinderen vertellen wie ze moeten worden, maar een plek bieden waar ze kunnen ontdekken wie ze zijn en wie ze kunnen zijn.

Dat voelde ik sterk bij Prinses Arabella uit de prentenboeken van Mylo Freeman.
Wat mij daarin raakte, was niet alleen dat kinderen een prinses zagen die anders was dan het beeld dat ze gewend waren.
Het was meer dan dat.
Daar stond een meisje, centraal in haar eigen verhaal, zonder dat ze haar bestaan hoefde uit te leggen. Ze hoefde geen symbool te zijn, geen uitzondering, geen bewijs dat wij het als sector begrepen hadden.
Zij mocht gewoon bestaan.
Jonge mensen begrijpen de kracht daarvan sneller dan wij.
Wij kunnen beleidsstukken schrijven, studiedagen organiseren en panels houden. Zij kijken drie seconden en denken: oh, zij kan dat zijn. Misschien kan ik dat ook.
Dát is representatie.
Niet dat elk kind zichzelf letterlijk in elk verhaal moet herkennen, maar dat ze nooit het gevoel mogen krijgen dat de wereld van fantasie niet voor hen bedoeld is.
Dit podium is ook van jou.
En daar begint onze verantwoordelijkheid.
We zijn goed geworden in het gebruik van woorden. Inclusie. Veiligheid. Diversiteit. Representatie. Toegankelijkheid.
Belangrijke woorden.
Maar woorden worden gevaarlijk als we ze mooier gebruiken dan we ze leven.
Inclusie betekent niet dat we uiteindelijk allemaal hetzelfde moeten denken, spreken en goedgekeurd moeten zijn.
Dat is geen gemeenschap. Dat is beton.
Ik wil geen beton.
Ik wil een mozaïek.
Een mozaïek wordt juist mooi omdat de stukken niet hetzelfde zijn. Elk stuk behoudt zijn eigen kleur, vorm en geschiedenis.
Het wordt pas een beeld als verschil niet langer iets is wat we moeten oplossen, maar iets waarvan we leren bouwen.
En dat is moeilijk.
Luisteren is makkelijk als iemand zegt wat jij al dacht. Liefde is makkelijk als niemand je teleurstelt. Samenwerken is makkelijk als niemand je confronteert.
Maar wie zijn we als het moeilijk wordt?
Want dat leren jonge mensen ook van ons: niet wat wij zeggen over gemeenschap, maar hoe wij ons gedragen als gemeenschap ingewikkeld wordt.
Wie zijn we als iemand een fout maakt? Als iemand iets zegt wat ons pijn doet? Als we ons niet gezien voelen?
En vooral: wie zijn we als we zelf degenen blijken te zijn die het verkeerd zagen?
Kunnen we dan nog zeggen: ik had het mis?
Ik dacht lang dat sterk zijn betekende dat niemand mocht zien waar het pijn deed.
Schouders recht. Doorgaan. Werken. Regelen. Maken. Regisseren. Overleven.
Tot ik begon te begrijpen dat mijn kwetsbaarheid niet het tegenovergestelde van mijn kracht was.
Mijn kwetsbaarheid was de deur ernaartoe.
Ik ben niet weerbaar geworden omdat het leven mij nooit heeft geraakt.
Ik ben weerbaar geworden omdat het mij wel heeft geraakt, en ik weiger te laten bepalen dat pijn mij definieert.
Voor mij is kracht niet meer: niemand kan mij raken.
Kracht is: je hebt mij geraakt, maar ik laat niet toe wat mij pijn deed mij te definiëren.
Ik wil opnieuw kunnen beginnen zonder mijn verleden te ontkennen.
Dat is niet zwak.
Dat is werk.
En ja, we gaan fouten maken.
Allemaal.
Perfecte mensen bestaan niet. En als ze wel bestaan, wil ik niet met ze werken. Dat lijkt me uitputtend.
Maar er is een verschil tussen zeggen: ‘Zo ben ik nou eenmaal’, en zeggen:
‘Dit heb ik gedaan. Wat vraagt dit nu van mij?’
Dat tweede is de volwassenheid die ook ik heb moeten leren.
Een mens is meer dan zijn slechtste moment. Maar een mens moet wel verantwoordelijkheid nemen voor wat hij doet.
Die twee waarheden kunnen naast elkaar bestaan.
En misschien is theater juist de plek waar we dat nog kunnen oefenen.
Waar we niet meteen hoeven te kiezen tussen held of monster. Goed of fout. Voor of tegen.
p style=”fi
Vergelijkbare berichten
- Chappell Roan vs. Jorginho: Popster Vecht Terug Na Schokkende Beschuldigingen!
- URK!-ster Gerda Keuter in ziekenhuis: “Ik ben altijd de pechvogel!”
- Rico Verhoeven Openhartig Over Relatie Met Naomy: Emoties en Liefde Blootgelegd
- Kim Feenstra woest: Eist harde actie tegen dierenmishandelaars!
- Paradise Hotel-Mert Onder Vuur: Gedrag Na Winst Vraagt Om Uitleg!

Loes Bakker is onderwijsspecialist met jarenlange ervaring in beleid en praktijk. Haar bijdragen gaan over vernieuwing, digitalisering en pedagogische kwesties in het onderwijs. Ze legt onderwijsontwikkelingen kritisch bloot, altijd met een hart voor leerlingen, leerkrachten én een toekomstgericht onderwijssysteem dat iedereen gelijke kansen biedt.