Na een decennium bij De Brakke Grond in Amsterdam, waar Lisa Wiegel het festival Beyond the Black Box hielp opzetten, is ze nu de nieuwe theaterprogrammeur bij Oerol. Gedurende haar eerste jaar krijgt ze de kans het festival en zijn publiek te verkennen om te zien hoe ze de publieksbeleving nog verder kan verdiepen. ‘Plaats een tribune en mensen gedragen zich automatisch alsof ze in een theater zijn.’
Het is mei en we bevinden ons onder de schaduw van een bloeiende vlier in de Tolhuistuin in Amsterdam Noord. “Ons hoofdkantoor is op Terschelling, maar soms is het handig om hier afspraken te maken, dus hebben we hier een klein kantoor.” Lisa Wiegel is sinds april dit jaar de theaterprogrammeur bij het grootste theaterfestival van Nederland, dat dit jaar haar 45-jarig bestaan viert. Ze maakt deel uit van een team van programmeurs en sinds oktober staat de organisatie onder leiding van Sabine Pater en Jiska Bazuin.
Wiegel startte haar carrière als programmeur bij De Nieuwe Vorst in Tilburg en heeft de afgelopen tien jaar gewerkt bij de Brakke Grond in Amsterdam. Hier was ze niet alleen verantwoordelijk voor de programmering van Vlaams theater, maar zette ze zich ook in voor Beyond the Black Box, een festival dat zich kan meten met Amsterdamse hoogtepunten zoals Festival of Fools, Triple X en Something Raw. “Ik hoefde niet weg, maar was klaar voor een nieuwe uitdaging. Ik heb geen specifieke opdracht meegekregen; ik mag eerst de situatie verkennen. Die open benadering past het best bij mij,” vertelt Wiegel.
Hoe ben je bij De Brakke Grond terechtgekomen?
Ik werkte in België voor Circuit X, een tournee geïnspireerd op de Blind Date-serie in Nederland, die jonge kunstenaars buiten de grote steden bracht. Ik bezocht alle culturele centra in Vlaanderen. Het was een fantastische tijd, en ik was geraakt door hoe toegewijd en persoonlijk de centra waren, ondanks dat dit initiatief al lang niet meer bestaat.
Is het tegenwoordig lastig om risico’s te nemen als programmeur? Hoe bouw je een publiek op als je steeds op veilig moet spelen?
Het hangt sterk af van de subsidie-structuur. Bij de Brakke Grond kon ik wat meer risico nemen met de programmering.
Lijkt het soms niet moeilijker om in Amsterdam publiek te trekken dan in steden zoals Den Bosch, Groningen, of Arnhem?
Ik geloof dat niet. Ik merk vooral een verschil tussen theater- en festivalpubliek. Festivalgangers laten zich verrassen door onbekende namen, terwijl theaterbezoekers vaak specifiek voor een bepaalde artiest komen. Daarom was ik altijd wat jaloers op festivals; binnen een sterk festivalmerk kun je veel risico’s nemen.
Is er een link tussen tien jaar werken bij de Brakke Grond en je overstap naar Oerol?
Mijn werk draait om de dialoog met de kunstenaar en gezamenlijke verantwoordelijkheid, om samen na te denken over wat een werk nodig heeft en hoe dat in een context past. Dat vind ik het boeiendste aan programmeren.
Is het bijna een vorm van produceren?
Nee, het gaat meer over het vertalen naar de presentatie voor het publiek. Ik zit niet in de ontwikkelfase in de repetitieruimte, maar ik kom graag naar openbare toonmomenten, zonder me te bemoeien met artistieke keuzes. Ik denk wel graag vroegtijdig mee over de presentatiedoelen van de makers.
Dit voortraject, waarin je de maker echt leert kennen en een vertrouwensband opbouwt, zie ik terug bij Oerol. Er zijn locatiebezoeken waarbij makers naar het eiland komen. Er is een werkplaatsfunctie met residenties. Aan de programmering van een festival gaat vaak een traject van een jaar of langer vooraf.
Bezoek je al jaren Oerol?
Ik ben acht jaar niet geweest, moest ik toegeven tijdens mijn sollicitatiegesprek. Ik was vaak in België voor prospectie, en volgde ook het Nederlandse veld, waardoor zo’n week Oerol in juni lastig was. Ik ging altijd naar Theater aan Zee in Oostende, dat was mijn Oerol. Het is geen eiland en heeft minder locatietheater, maar de zee hebben ze gemeen, net als de vele vrijwilligers, de traditie van generaties die komen, experimentele voorstellingen en een breed publiek. Het is ook echt de plek waar de Vlaamse sector jaarlijks samenkomt, net zoals de Nederlandse sector op Oerol.
Ik zag op TAZ toch veel voorstellingen op locatie, tot ver buiten de stad tussen de velden of in de havens.
Dat klopt, maar dat werk is meestal niet specifiek voor die locatie ontworpen. Een groot deel van de voorstellingen bij TAZ zijn gemaakt voor een zaal en vervolgens op locatie gezet. Bij Oerol is er veel meer werk dat echt vanuit het eiland is ontstaan, met het landschap en de thematiek van het eiland als uitgangspunt. Dat biedt een heel ander perspectief.
Dit heeft ook nadelen, want zo’n voorstelling tourt minder makkelijk. Op die manier onttrekt locatietheater zich aan ons kapitalistische systeem, waar artistiek werk moet renderen en efficiënt geproduceerd moet worden. Maar soms wil je voor de makers dat het werk kan doorgroeien en ook elders publiek vindt. Er is hier een duidelijke spanning, en het is belangrijk om daar een balans in te vinden.
Klopt mijn clichébeeld van Oerol met grote projecten op het strand en solo’s in duinpannen en dennenbosjes? Beeldend en fysiek theater dat goed tot zijn recht komt in de natuur, zonder de noodzaak van een traditionele theateropstelling?
Er is echter ook veel teksttheater. De keuze is eerder thematisch, waarbij voorstellingen op het eiland een extra dimensie krijgen door de omgeving, of doordat de natuur en de zee juist sterk resoneren met het werk. Het programma is eigenlijk een unieke combinatie van een brede programmering, die je nergens anders vindt, en een zeer specifieke minimaatschappij van het eiland.
Ik waardeer zelf vooral de beeldende kunstprogrammering. Mensen denken vaak dat alles is uitverkocht, maar dat is niet zo, ook omdat je veel kunt bezoeken met enkel je festivalbandje. Ik ben erg geïnteresseerd om ervaringen mogelijk te maken buiten het vaste programma.
Je had geen invloed op het huidige programma, neem ik aan?
Dat klopt, het programma was al rond toen ik begon. Maar bij Oerol gaat het inhoudelijke gesprek door ook nadat alles geboekt is, dus ik heb al aan van alles meegedaan. Ik ben vooral bezig met volgend jaar en daarna. Ik mag lekker rondkijken. Het is echt een hele nieuwe wereld. Na tien jaar op dezelfde plek, ken je een organisatie door en door, je specifieke rol in het veld, je eigen positie. Het is heel fijn om weer opnieuw te beginnen, de openheid die dat vereist. En Oerol voelt uitzonderlijk, de toewijding en het enthousiasme van zo’n team in al die lagen en rollen. Wat ik niet had kunnen voorzien is de dynamiek die het eiland met zich meebrengt, de relatie tussen het eiland en de wal, wie waar woont en wat het betekent om naar het eiland te komen, terwijl je daar niet vandaan komt.
Eilanders zijn natuurlijk drie keer eigenwijzer.
Er zijn mensen in het team die op Terschelling geboren zijn. Maar de meeste mensen zijn er naartoe verhuisd of reizen elke week. Ik besef nu meer dan eerst dat Oerol echt een soort referentiepunt is. Iedereen kent het festival, ook buiten het theater. Dat voelt als een soort druk, dat het een bepaalde verantwoordelijkheid met zich meebrengt, naar de sector, naar makers, naar het brede publiek, wat doe je met dat festival?
Hoe zou jij het zelf omschrijven?
Ik vind het ongelooflijk dat je op zo’n klein eiland een heel jaar rond kunt werken aan een kunstenfestival van tien dagen. Ik vind dat hoopgevend, dat daar ruimte voor is, symbolisch gezien. Zelfs als je er zelf niet bij bent, heeft het iets krachtigs. Dat het festival zich met theater en live art niets aantrekt van de logica waarop onze maatschappij en economie gebaseerd zijn.
Het kost geld en het levert alleen immateriële waarde op? Je kunt het niet verzilveren?
Het kan vooral niet efficiënter. Het kost gewoon tijd om het te doen. Dat we die tijd ervoor nemen. Dingen duren langer op zo’n eiland. Alleen al de reis er naartoe. Het eiland vertraagt allerlei processen, terwijl er ook in de versnelling wordt gewerkt. Dat vind ik iets heel bijzonders. Dat we het de moeite waard vinden om de tijd voor te nemen, en dat het echt zo’n collectief verhaal is, een collectieve inspanning van zoveel verschillende partijen.
Is dat heel anders dan in de Brakke Grond?
Nou, ik stelde mij als programmeur bij De Brakke Grond ook al de vraag, waarom deze voorstelling hier nu neerzetten? Je vraagt natuurlijk een extra investering aan mensen, om helemaal uit Vlaanderen naar Amsterdam te komen. Het beleid staat de uitwisseling tussen Vlaams en Nederlands theater heel erg in de weg. Alles is duur, beide kanten op, er is weinig publiek omdat het weinig zichtbaar is, het is een vicieuze cirkel. Je moet er heel hard aan werken om die te doorbreken. Dus het was altijd een kernvraag in de programmering en in de relaties, dat we samen met de kunstenaars een strategie uitzetten van oké, maar waarom? Wat is jouw noodzaak om dit hier in Amsterdam te presenteren op dit moment? Dat is bij Oerol nog veel meer, denk ik
Je ziet dat makers als ze op locatiebezoek komen, van de boot af opeens in een heel andere staat of modus terecht komen. Die quote van Marianne van Kerkhoven, die mijn adagium blijft, van het theater staat in de stad en de stad in de wereld en de wanden zijn van huid. Wat betekent dat voor Oerol? Je hebt niet dat letterlijke gebouw. Ik vind Oerol geen vakantiebestemming. Het is echt een kunstenfestival. Dat makers en het publiek heel genereus zijn naar elkaar, betekent niet dat het publiek alles zomaar omarmt.
Van mijn eigen bezoeken aan Oerol is mij een voorstelling bijgebleven van Boogaerdt/VanderSchoot. Spectaculaire voorstelling, zo heette die. Het publiek nam plaats op de ene tribune en zij braken de tribune er tegenover af, in een uur of anderhalf. Dan ging je weg en kwam er een nieuw publiek en dan bouwden ze die tribune weer op. Dat was het, een soort loop. Veel mensen waren boos, anderen vonden het juist fantastisch. Er was veel controverse. Maar dat is oké, daarvoor kom je er ook naar Oerol, om uitgedaagd te worden, of om op z’n minst je blik te laten kantelen, te denken van oké, dit is niet wat ik had verwacht. Het publiek komt om zich te laten verrassen.
Ik zie al een tijd erg veel letterlijke, frontale, tiktok-achtige voorstellingen. De telefoon lijkt soms echt het perspectief op dans en performance te bepalen.
Ik zie veel makers die rond rituelen werken. Dat is echt een tendens die ik ook bij Beyond the Black Box probeerde een platform te geven. Ze vragen zich af hoe het ritueel op een niet religieuze manier kan worden ingevuld. Het gaat vaak om een collectieve ervaring, om verbinding te voelen met de groep, of betekenis te geven aan je dagelijkse leven.
Kan dat een verzet zijn tegen de schermen?
Tja, het gaat vaak om vrij simpele dingen, zoals samen ademen, daar een soort oefening van maken of een element in de voorstelling. Of samen bewegen, samen geluid maken. Soms zijn het echt participatieve, interactieve elementen, maar het kan ook puur op het podium, dat performers benaderen wat de rituelen van nu kunnen zijn.
Theater dat de nadruk legt op het somatische, het belichaamde?
De kern van rituelen is het fysieke, dat het over belichaming gaat. Ik heb dat zelf ook als ik naar het theater ga, dat het hem zit in hoe iemand iets aanraakt of een ander aanraakt op het podium. Als dat met een bepaalde aandacht of intensiteit gebeurt, word ik erin meegenomen. Het spiegelt, het tactiele maakt situaties ervaarbaar, ook al raken ze je niet persoonlijk aan. Dat zit ‘m puur in een soort concentratie, en de zorg waarmee dat wordt gedaan. Met Beyond the Black Box heb ik natuurlijk heel erg geprobeerd de groei op het vlak van de hybride, interdisciplinaire vormen te presenteren, waar je natuurlijk van kan zeggen – is dat nieuw?
Wat is toch het probleem met die hybride vorm? Het hoort toch van nature bij de kunst?
Het probleem zit hem vooral in subsidiesystemen en instellingen. Het FPK heeft wel aan ontschotting gedaan, maar daar kleven ook ingewikkelde aspecten aan en je zit nog steeds binnen de podiumkunsten, de beeldende kunst doet niet mee. Als je je tussen beeldende kunst en podiumkunst in beweegt, heb je gewoon een groot probleem met subsidie aanvragen. Maar het zit ook heel erg in de inrichting van de Nederlandse infrastructuur. Je bent óf theater met een black box of een lijsttoneel, óf je bent een poppodium óf een beeldende kunstinstelling. De hybride vormen kunnen niks met die of-of instelling. Er moet een ander soort bezoek worden mogelijk gemaakt, maar dat past niet in het presentatiekader van de meeste instellingen. En dan heb je natuurlijk ook nog het publiek.
Die precies opgevoed wordt met die kaders, precies die instellingen.
Iedereen neemt bepaalde verwachtingen, een bepaalde kijkhouding mee, afhankelijk van wat je gaat zien. Dat was ook een van de grootste uitdagingen met Beyond the Black Box: hoe kan je die kijkhouding en die verwachtingen een beetje afbreken, of openbreken, zodat mensen het werk gaan beleven en het niet doodslaat door de verwachtingspatronen, of dat mensen niet eens de tijd nemen om te kijken.
Hoe doe je dat dan, die kijkhoudingen openbreken? Eerst een kopje thee?
Of de schoenen uit, dat werkt gewoon altijd, niet flauw bedoeld. Het wordt misschien te vaak gebruikt, maar tegelijkertijd zit je daar nu eenmaal heel anders als je je schoenen hebt uit
Vergelijkbare berichten
- Lisa Wiegel: Nieuwe Programmeur Locatietheater voor Oerol Festival!
- Mikey Martins vertrekt bij Oerol: Grote veranderingen op komst!
- Merel Nuruwe en Noah Rengart veroveren harten: Publieksfavorieten CTF Utrecht 2026!
- Merel Nuruwe en Noah Rengart: Publiekslievelingen CTF Utrecht 2026!
- BLOS verovert harten: Grootste publiekstrekker op Café Theater Festival Arnhem!

Loes Bakker is onderwijsspecialist met jarenlange ervaring in beleid en praktijk. Haar bijdragen gaan over vernieuwing, digitalisering en pedagogische kwesties in het onderwijs. Ze legt onderwijsontwikkelingen kritisch bloot, altijd met een hart voor leerlingen, leerkrachten én een toekomstgericht onderwijssysteem dat iedereen gelijke kansen biedt.