Afgelopen weekend vond in Tilburg de zesde editie van het Murf/Murw Festival plaats. Het experimentele kunstfestival valt al jaren op door een grensoverschrijdende programmering: van podiumkunst en muziek tot beeldende kunst, film, dans en alles daartussen. Met meer dan 80 acts en ongeveer 2000 bezoekers was de editie dit jaar groter dan ooit tevoren. De podia lagen verspreid door de binnenstad van Tilburg: kerken, bioscopen, theaterzalen en rockcafés deden mee. Het aanbod was eigenzinnig, absurd, soms moeilijk te volgen – en tegelijk vaak ontroerend mooi, aanstekelijk en gul.

Een korte blik op de oorsprong: in 2018 wilden een aantal kunstacademiestudenten meer zichtbaarheid voor hun werk en dat van hun vrienden. Ze begonnen een magazine onder de naam Murf/Murw, dat elke paar maanden met een nieuw, vaak vreemd dualistisch thema verscheen (denk aan combinaties als ‘emu war & mata hari’ of ‘mr beast & mandela effect’). Het magazine groeide snel.
Via sociale netwerken meldden makers van over de hele wereld zich, en al snel ontstond het verlangen om het papieren project tot leven te wekken in de vorm van een festival. Zo vond in 2020, middenin de coronaperiode, de eerste Murf/Murw plaats in Theater De Nieuwe Vorst. Ondanks de beperkingen waren de contouren van wat het festival nu is al zichtbaar: een eigenzinnige mix van disciplines met makers die vaak interdisciplinair en uitdagend werk tonen.
Het thema van dit jaar luidt Don’t be evil – het voormalige motto van Google. De theaterprogrammering was in handen van Marieke Reijnen. Hoe zij het selecteert? ‘Dat is lastig in woorden te vatten. Het gebeurt veelal intuïtief; ik zoek iets onverwachts, een onderstroom, iets schurends of duisters. Als een voorstelling alleen maar mooi is, past het meestal niet bij Murf.’ Traditiegetrouw opende het festival op vrijdag 2 oktober met een woord van dichter Jilles Feij uit Tilburg en appeltaarten gebakken door Reijnens vader, waarna het programma op meerdere plekken in de stad van start ging.
‘Gender migrants’ in HOLOBIONT van kunstenaarsduo Boogaerdt/Van der Schoot, foto Beau Kaufman
Een genderfucking rave-ritueel
In de Rode Salon van De Nieuwe Vorst zag ik meteen een van de chaotischste, meest onsamenhangende acts van het weekend: het Franse collectief Pish ‘n’ Chips voerde een absurdistische karaoke-poppenshow op waarin opgezette dieren verouderde hits playbacken. Tegelijkertijd werd er in magnetrons popcorn gemaakt en uitgedeeld aan het publiek. Na zo’n vijftien minuten toekijken naar een opgezet everzwijn dat Total Eclipse of the Heart en I Did It My Way mime, liep ik door naar de grote zaal waar HOLOBIONT speelde: de nieuwste piece van Boogaerdt/Van der Schoot. Deze vier uur durende performance – omschreven als ‘a genderfucking rave ritual’ – stond open voor in- en uitlopen, mits je je telefooncamera afplakte.

Ik kwam er aan het begin van het vierde uur binnen. De zaal was in schemer gehuld, de tribune afgeschermd met gordijnen en vaste stoelen ontbraken. Over de vlakke vloer waren meerdere podia geplaatst waarop performers, aangeduid als gender migrants, telkens in andere verschijningsvormen optraden. Rondom zie je een bar en kleedruimtes waar makers zich zichtbaar transformeerden. De muziek pompte en gaf de setting iets van een anarchistische nachtclub. Een performer werd in korset en hoge hakken aan ketens door de ruimte gesleept. Er waren dragacts, een ode aan Dolly Parton, en de uitspraak ‘Why are you gay?’ werd omgezet in een opzwepend protestlied.
De wisselwerking tussen makers en publiek was steeds uitnodigend en vierend. ‘You are safe now’, zegt een performer vanuit een tent waar toeschouwers op een matras lagen. De toon is expliciet: hier geen starre gendercodes, maar een viering van lichamelijke vrijheid en het speels onderzoeken van identiteit. Is het een veilige ruimte? De aanwezigheid is nadrukkelijk, maar even later doet een performer in een hawaïblouse alsof hij meedanst met de pomponparade en probeert te twerken, terwijl diezelfde figuur stiekem foto’s van schaars geklede collega’s maakt; een herinnering dat de buitenwereld toch altijd kan binnendringen.
Later die nacht ging het feest door in de schouwburg. De Finse groep Muovipussi (‘plastic zak’) nam de studiozaal over met een energieke, theatraal ingestelde show. We zagen onder meer een grommende bruid, er werden geluiden gemaakt met rondzwaaiende handtassen, en een van de muzikanten, omhoog gedragen op schouders, werd door het publiek voortgezeild met barbiebenen aan haar kousen. Artistiek leider Simon van Iersel vroeg zich af of het hier een theatergezelschap met een band was, of een band met zoveel theatrale elementen dat het een theatervoorstelling werd. ‘Ach ja, wat maakt het uit?’ zei hij.
Bij elke locatie hing de zwart-witte Murf/Murw-vlag, die deed denken aan een piratenvlag – alsof het festival de ruimtes had gekaapt. De ingang van De Nieuwe Vorst was voor de gelegenheid beplakt met kunstgras. ‘We crashen bewust de institutionele entree’, zegt Reijnen. ‘We willen laagdrempelig zijn; hier hoeft niemand iets hoog te houden.’ Direct binnen werden bezoekers geconfronteerd met de vervreemdende roze sculpturen van Sietske Zandbergen. Je kon er vlezige, gedetailleerde koppen over de vloer laten rijden met controllers – of eendjes vissen bij een gerimpelde man in een pluizig roze pak. Zijn clownsmake-up liep uit en op zijn schoot lag een schuimrubberen kalasjnikov.
Afscheidsspeech van de duivel in Don’t Be Evil, Just a Little Bit van Ulrike Doszmann, foto Guus van der Aa
De duivel stapt op
Voor het festival maakte Ulrike Doszmann een locatievoorstelling met de titel Don’t Be Evil, Just a Little Bit, waarin het kwaad een stem krijgt. In een verlaten steeg, pal aan een drukke winkelstraat in Tilburg, introduceert zij zichzelf aan voorbijgangers als de duivel. Verderop klinkt – op de een of andere manier passend – een onzichtbare straatmuzikant die Mad World speelt, waarna de duivel haar ontslag aankondigt: de wereld wordt geleid door krachten die nog kwaadaardiger zijn dan zijzelf. Ze oefent haar afscheidspeech en zet via een JBL-speaker zelf epische muziek aan, rolt over straat en schreeuwt de namen van onder meer Donald Trump, Vladimir Poetin, Viktor Orbán, Geert Wilders, Benjamin Netanyahu en Kim Jong-un. In het slot spreekt ze zich ook uit tegen de vernietiging van de natuur en de planeet, waarna ze de drukke winkelstraat in wandelt.
Dat het festival ook ruimte gaf aan momenten van verstilling bleek zaterdagochtend tijdens het optreden van ZEA, het kwartet rond zanger Arnold de Boer. In de Pauluskerk speelden zij hun nieuwe album In lichem fol beloften samen met de zestienkoppige drumband Hallelujah Makkum, een band waar De Boer als zevenjarige al deel van uitmaakte. Vooraf liep de drumband door Tilbergs straten en speelde popnummers van onder meer Henk Wijngaard, Guus Meeuwis en Gers Pardoel. De liedteksten van ZEA zijn in het Fries en voor het Brabantse publiek grotendeels onbegrijpelijk, maar De Boer gaf ze een context die ze begrijpelijker maakte. Indrukwekkend was onder meer Pine En Tiid II, gezongen met het jongste lid van de drumband – een zevenjarig jongetje. Muzikaal was er veel diversiteit: van post-punk en folk tot metal, jazz, noise, elektro en darkwave.
Drumband Hallelujah Makkum tijdens het concert met ZEA, foto Lisa Ooijevaar
Niet controleren maar luisteren
In expositieruimte NS16 vond tijdens het festival een interdisciplinaire residentie plaats waarin verschillende makers samenwerkten. Hun installatie The Serpent, the Alien and the Stone was in de week voorafgaand aan het festival opgebouwd en diende vier keer als vertrekpunt voor telkens veranderende performances; ik woonde de tweede bij. Vanuit het plafond hingen lange slierten audiotape naar beneden, als draden. Genoeg tape lag op de vloer. Een performer met lange donkere haren en opvallend donkere ogen glipte erlangs, terwijl een ander onverstoorbaar tape van een rol trok.
De makers van Spa For Spirits (Lili Sels VanBavaerts en Kito Kotsoane) spannen tape rondom stalen pijlers; het materiaal knispert tussen hun vingers. Een drieluik van Annabel Quick vulde de ruimte, en donkere panelen van Anneroos Goosen hingen tegen de wanden. Tegelijk ontstond er een gelaagd klanklandschap: Berlinde Deman bespeelde de serpent, een eeuwenoud houten blaasinstrument, waarop Mathijs Leeuwis reageerde met elektronische bewerkingen terwijl Goosen bewerkte tapeloops in de mix bracht.
‘Veel technologie probeert een medium zoals audiotape onzichtbaar te maken’, vertelde Goosen na afloop. ‘Wij willen juist het medium zichtbaar maken.’ Ze probeert tape te ontleden tot zijn basisbestanddelen. ‘Tape bevat onder meer magnetiet, een mineraal dat geluid kan vasthouden en ook gebruikt wordt in magneten voor computers en telefoons. Hoe kun je stenen die informatie kunnen bewaren een stem geven? Mensen zoeken vaak controle, maar hoe interessant is het juist om die controle los te laten en gewoon te luisteren?’
The Serpent, the Alien and the Stone met Spa For Spirits, foto Beau Kaufman
Ook Amos Peled bekeek bestaande technologieën op een speelse en eigenzinnige manier. In de week voor het festival opende zijn soloshow in Kunstpodium T. In één zaal waren videofragmenten uit The Machine Sleeps Tonight te zien, de voorstelling waarmee hij vorig jaar de Fringe at Best Award won. Op vier schermen ontvouwde zich een vervreemdend, ogenschijnlijk klinisch tafereel: de geluiden van een anesthesiemachine suggereerden het opblazen van ballonnen. Sommige ballonnen knappen, andere worden bespeeld door handen in medische handschoenen, waardoor de steriele setting iets speels en absurdistisch krijgt.
In een aangrenzende ruimte stond de installatie Phantom Limb, waarin een echografieapparaat als poëtisch audiovisueel instrument fungeerde. De technologie registreert niet alleen lichamelijkheid, maar verkent ook de performatieve kant van onze doorgaans onzichtbare binnenwereld. In twee andere ruimtes staken glanzende, kunstmatige organen uit een blauwe wand (Operation Theater). Ze bewogen subtiel en leken mechanisch te ademen; sommige lagen hulpeloos op de grond. Ook zonder een echte performer voelde het werk levendig. Peled maakt van klinische apparatuur iets expressiefs en performatiefs, waardoor ze verrassing, ontroering en soms een glimlach oproepen. Daarmee plaatst hij op een fantasierijke manier de eeuwenoude maar actuele verhouding tussen mens en technologie centraal.
Nananana something is wrong with me
Op zaterdagavond zag ik Renée van Trier’s onheilspellende performance Splendid Land. Gekleed in wat op een ruimtepak lijkt, bewoog zij zich bijna mechanisch langs het publiek. Er hing een vreemde geur; op de vloer lag een spoor van dode roze wormen die uit zakken van het pak leken te kruipen. Van Trier fluisterde, haar stem klonk tegelijk verleidelijk en bedreigend. ‘We take more than what we need, less and less room to call home, this isn’t going to end well’, hoorden we. Even later vulden zware bastonen de zaal. Van Trier lachte op clowneske wijze, klom op het podium van de Hall of Fame en zong: ‘nananana something is wrong with me’.
Plots ontvouwde zich iets wat de allure van een popconcert had. Het publiek leek de rottende wormen te vergeten of danste er juist op. Daardoor werd Splendid Land een ontwrichtende performance waarvan de betekenis voortdurend schuift: spannend, vermakelijk, absurd en tegelijk verontrustend. Er was weinig tijd om alles te laten bezinken: vijftien minuten later begon op dezelfde plek het nachtprogramma met eigenzinnige muzikale acts zoals Teardrinker (post-hardcore), Jazz Lambaux (doedelzak gecombineerd met elektronica) en Ha Kyoon (performance met snaredrums en circuselementen).
‘Fragmentarische ode aan het verwarrende leven’ in Kortvoorstelling-tentoonstelling, foto Beau Kaufman
Zondagmiddag veroverden Joeri Happel en Lucas van der Vegt moeiteloos de harten van het publiek met hun Kortvoorstelling-tentoonstelling. Drie keer brachten ze – volgens het programmaboekje – een ‘fragmentarische ode aan het verwarrende leven, omdat het leven geen coherent verhaal is maar een onontwarbaar kluwen van vreemde details’. In gele morphsuits verwelkomden de acteurs het publiek. Daarnaast stonden twee stagiairs en een groepje vrijwilligers dat snel bij elkaar was geroepen. ‘Vandaag beginnen we met de cliffhanger van gisteren’, zei de van oorsprong Tilburgse Happel. We zaten in De Verenwinkel, waar stagiair Miro letterlijk veren in zijn achterste kreeg gestoken door een glibberige winkelmedewerker, gespeeld door Van der Vegt.
Nadat die missie was volbracht – en het publiek selfies had gemaakt met de versierde billen – trokken de gele gordijnen zich dicht en kondigden de spelers een pauze aan. Er werd punch geserveerd en nieuwe vrijwilligers werden uitgeroepen. ‘Maar nu wordt het echt goed’, zei Happel tegen een bezoeker die mopperde dat het al pauze was en dat die pauze erg lang duurde. ‘Jij was er gisteren niet; de pauze is één van de kortvoorstellingen en we moeten even ombouwen.’
Wat volgde was een aaneenschakeling van ultrakorte scènes. Het publiek werd regelmatig uitgenodigd om mee te doen, wat leidde tot een uitgelaten, kolderieke sfeer. Tijdens een opsomming van verhalen van mensen in psychische nood viel de zaal stil. Niet veel later ging een kookwekker af, zong stagiair Martje ons toe en verlieten we de zaal. ‘Wat moet ik hier in godsnaam van denken?’, vroeg de vriendin met wie ik was. Het is een vraag die je bij Murf/Murw vaker stelt. Mijn gedachte? Misschien kun je de chaotische, instabiele en absurde werkelijkheid het beste benaderen met speelsheid, intuïtie, collectiviteit en humor.
Voor wie veel theater bezoekt is het misschien wennen: in De Nieuwe Vorst halen bezoekers geregeld hun telefoon tevoorschijn om foto’s en filmpjes te maken. Reijnen: ‘Als het vanuit respect gebeurt, vind ik het geweldig dat de ogenschijnlijke regels van een instituut door de festivalstemming worden doorbroken. Sommige mensen komen naar Murf voor de muziek en pakken dan per ongeluk een performance mee – en ontdekken iets nieuws.’
Gecorrumpeerde nonnen in Dark Habits van Simon Van Schuylenbergh, foto Beau Kaufman
Een bak water in het gezicht van de cultuursector
Op zondagavond sloot de theaterlijn af met de Nederlandse première van Dark Habits, een subversieve, visueel spectaculaire en enigszins stuurloze voorstelling van Simon Van Schuylenbergh. Het voelde als een passende afsluiter voor een programma dat zich verzet tegen vaste regels, eenduidige smaak en het idee dat kunst zich netjes moet gedragen. Van Schuylenberghs gecorrumpeerde nonnen spuitten zonder pardon water in het gezicht van bezoekers die tot de cultuursector behoren (en dat vormde bij Murf/Murw een flink deel van de zaal). Ze boogden zich halfnaakt over mensen in de zaal, haalden op theatrale wijze geld op en gaven dat weer weg aan de toeschouwer die de voorstelling het best omschreef. Dit alles speelde zich af terwijl Van Schuylenbergh zelf boven het toneel gekruisigd hing – met slechts een lendendoekje en een stokbrood als bezit, dat aan het eind door een collectieve masturbatiescène werd ‘afgeschud’ (‘fuck le pain away’). Zo eindigde Murf/Murw in (anti-)stijl.
Sinds het festival begon wordt het vaak vergeleken met het inmiddels gestopte Incubate uit Tilburg. Incubate moest na 2017 stoppen door geldproblemen. Ook Murf/Murw kampt met uitdagingen, vertelt zakelijk leider Koen Reijnen: ‘We zijn ooit begonnen als vrijwilligersorganisatie en willen blijven groeien, maar ook de kern en DIY-mentaliteit behouden. Dat is een lastige balans. Inmiddels gaat het organisatorisch zoveel uren kosten dat het niet realistisch is om alles vrijwillig te houden; we moeten constant nieuwe financieringsbronnen en strategieën zoeken.’ De gemeente Tilburg steunt het festival al jaren, en sinds dit jaar ontvangt Murf/Murw ook een bijdrage van het Fonds Podiumkunsten.
De organisatie merkt dat het festival zich welkom voelt in Tilburg: ruim 120 vrijwilligers dragen het evenement, de technische ploeg is in huiselijk verband opgeleid en artiesten mogen vaak bij bezoekers overnachten. Dat geeft Murf/Murw het karakter van een verbond: een netwerk van bezoekers, makers, vrijwilligers en locaties die ruimte biedt aan creatieve onderstromen. In een samenleving die veel waarde hecht aan verklaarbaarheid en verkoopbaarheid plaatst Murf/Murw juist het zoekende en onverwachte centraal. Misschien is daar de grootste betekenis van het festival: het biedt ruimte aan makers die niet precies weten waar ze uitkomen en aan publiek dat die onzekerheid verdragen en vieren.
Laten we hopen dat Murf/Murw nog lang blijft bestaan en dat Tilburg minstens één keer per jaar overspoeld wordt door experimenteerzucht en duizelingwekkend, recalcitrant en wonderlijk vreemd werk.
Vergelijkbare berichten
- Cabaretduo SCHAFT Grootste Hit: Publieksfavoriet op Café Theater Festival Rotterdam!
- Tessa Smeulers: De Nieuwe Programmeur voor Theater en Dans op Lowlands!
- Merel Nuruwe en Noah Rengart: Publiekslievelingen CTF Utrecht 2026!
- Jeroen Dijkstra Aangesteld: Nieuwe Directeur van Delft Fringe Festival!
- Winterkaravaan scoort Culturele Prijs Noord-Holland: Nieuw talent in de spotlight!

Loes Bakker is onderwijsspecialist met jarenlange ervaring in beleid en praktijk. Haar bijdragen gaan over vernieuwing, digitalisering en pedagogische kwesties in het onderwijs. Ze legt onderwijsontwikkelingen kritisch bloot, altijd met een hart voor leerlingen, leerkrachten én een toekomstgericht onderwijssysteem dat iedereen gelijke kansen biedt.