Een van de meest aangrijpende televisiemomenten van deze eeuw betreft een fragment waarin Joost Prinsen, zichtbaar emotioneel, het gedicht ‘Ben Ali Libi’ van Willem Wilmink voordraagt. Het gedicht vertelt het verhaal van Michel Velleman, een Joodse illusionist die optrad onder de naam Professor Ben Ali Libi en in 1943 in Sobibor werd vermoord.

Titia Zoeter, conservator van het Joods Museum, heeft terecht besloten dat deze ontroerende voordracht een plek verdient in Abracadabra, een tentoonstelling die de rijke geschiedenis van goochelen en illusionisme belicht, een intrigerend onderdeel van de Joodse cultuurgeschiedenis. De tentoonstelling is een perfecte samensmelting van inhoud en vorm.

In augustus 2021 was illusionist Hans Klok te zien in het VPRO programma Zomergasten. Initieel was er enige scepsis vanuit artistieke kringen: Was de VPRO nu serieus bezig met goochelen en een showman in een halfopen shirt met wapperend haar? Na de uitzending veranderde deze houding echter drastisch. Klok toonde zich een boeiende verteller en een uitstekende ambassadeur voor de wereld van magie en illusionisme, waardoor hij die avond duizenden nieuwe fans won.

Kaartenster van Okito (Theo Bamberg), Collectie van Dr. Bruce J. Averbook, Verenigde Staten.

In zijn opslag- en oefenruimte in IJmuiden bezit Klok niet alleen een breed scala aan apparaten en rekwisieten uit zijn shows, maar ook een indrukwekkende collectie memorabilia van zijn genre. Onder deze items bevinden zich voorwerpen van Okito, een tegenwoordig minder bekende Joodse illusionist-goochelaar die in de eerste helft van de twintigste eeuw tot de wereldelite behoorde.

Opslagruimte met goochelrekwisieten en koffers in een oefenruimte
Klok’s opslag- en oefenruimte in IJmuiden herbergt tientallen rekwisieten en kostuums.

De beroemdste truc van Okito, wiens naam een anagram van Tokio is, was De Zwevende Kogel. Hij liet een ijzeren bal, zo groot als een voetbal, zweven van de ene podiumzijde naar de andere. Om te bewijzen dat de bal niet aan een draad hing, haalde hij er een hoepel doorheen. Klok stelde deze collectie, die hij had overgenomen van verzamelaar Paul van Barneveld, beschikbaar aan het Joods Museum, dat er de basis voor een tentoonstelling in zag. Veel voorwerpen zijn ook afkomstig uit het privémuseum van Bruce Averbook in de omgeving van Cleveland.

Grote metalen bal gebruikt voor de zwevende kogel-truc op een podium
De beroemde ijzeren bal van Okito, gebruikt bij De Zwevende Kogel.

‘Ik heb ook niet het eeuwige leven, en anders eindigen die voorwerpen gewoon op zolder of in de vuilnisbak,’ zei Hans Klok. ‘Het Joods Museum is een uitstekende plaats, aangezien veel goochelaars en illusionisten Joods waren. Joden mochten vanaf de middeleeuwen veel beroepen niet uitoefenen, maar goochelen was, net als leer bewerken, schoenmaken en acteren, een vrij beroep. Grote namen in dit veld, zoals Houdini, David Copperfield en Okito, waren allemaal Joods.’

Zomergasten Live
Een dag voor de officiële opening leidden Titia Zoeter en Hans Klok de verzamelde pers door de tentoonstelling. Hun enthousiasme en energie waren palpabel. Het was als een aflevering van ‘Zomergasten Live’, met een overvloed aan fascinerend materiaal.

‘Okito, of eigenlijk Theo Bamberg, was een internationaal vermaarde Nederlandse goochelaar-illusionist’, vertelde Klok. ‘Hij bezat al zijn spullen in tweevoud, omdat hij met zijn gezelschap heen en weer reisde tussen Berlijn en het Scala Theater in Den Haag. Twee dagen voor de Duitse invasie vluchtte hij via Genua naar Brazilië, en uiteindelijk belandde hij in Chicago. Hij is nooit meer teruggekeerd naar Europa. Op veilingen zijn de voorwerpen van Houdini en Okito het meest gewild. Ik heb aanstekers met zijn initialen, de zegelring die hij van de koning van Siam kreeg toen hij daar optrad, de wijde Oosterse mantel, waar je als goochelaar veel in kunt verbergen, zijn persoonlijke plakboek en de beroemde ijzeren bal van zijn zwevende kogel-truc.’

Ontsnappingskist van Harry Houdini (Ehrich Weiss), collectie van Dr. Bruce J. Averbook, Verenigde Staten

Houdini
De tentoonstelling beslaat ruwweg de periode van 1850 tot 1950. Goochelen begon als een kleinschalige straat- en kermisactiviteit, maar vanaf het midden van de negentiende eeuw maakte het de overstap naar het theater, waar het uitgroeide tot een groots en sensationeel spektakel, met verdwijn- en ontsnappingstrucs. De Industriële Revolutie maakte steeds meer mogelijk. Rond 1900 begon The Golden Age of Magic.

Houdini (1874-1926) was de grootste in zijn tijd, en zijn naam wordt zelfs vandaag de dag nog steeds genoemd, ook al is hij precies 100 jaar geleden overleden. Volgens Hans Klok heeft Houdini de marketing voor de entertainmentindustrie uitgevonden. Ook na zijn dood werd zijn pr-medewerker nog betaald, wat uiteindelijk lonend bleek. Voordat Houdini ergens optrad, voerde hij straatacts uit om het publiek op te warmen. In 1903 liet hij zich in Amsterdam op het drukke Rembrandtplein in boeien slaan en opsluiten in het nabijgelegen politiebureau. Vijf minuten later stond hij alweer buiten.

In 2013 hield Hans Klok een show ter ere van Houdini in Carré. ‘Als pr-stunt voerde ik een Houdini-ontsnappingsact uit. Ik hing ondersteboven aan een touw in een dwangbuis boven de Amstel, met een metalen grijper boven mijn hoofd. Als ik niet op tijd zou ontsnappen en in de Amstel zou vallen, zouden mijn benen worden afgezaagd. Er stond niemand klaar om zo’n ramp te voorkomen.’

Het filmpje van Klok’s Houdini-act boven de Amstel is in de tentoonstelling te zien, samen met vele andere filmpjes waarin hij uitleg geeft over de tentoongestelde objecten. Houdini krijgt veel aandacht in het eerste deel van de tentoonstelling, die ook is gewijd aan internationale Joodse grootheden zoals Will Goldston, die de onaangename gewoonte had om de geheimen achter de trucs van zijn collega’s te onthullen, Carl Hertz, die als eerste filmbeelden gebruikte in zijn acts, Imro Fox, die veel zelfspot-comedy in zijn act verwerkte en Horace Goldin, die weinig oog had voor het welzijn van de dieren in zijn shows. Voor hem waren het magische rekwisieten, net als kaarten of munten.

Dat deel is weer opgesplitst in Verdwijntheater, Zweeftheater, Horrortheater en Ontsnappingstheater. Pronkstukken in dat laatste theater zijn een doodskist en de dwangbuis van Houdini. Zijn ontsnappingsact uit een dwangbuis voerde hij meestal ondersteboven uit, hoog boven het publiek. Hij kwam op het idee voor deze ontsnapping toen hij zag hoe een psychiatrische patiënt zich uit een dwangbuis probeerde te wurmen.

De boeienkoning Houdini liet zich op de meest uiteenlopende plekken opsluiten. Om te ontsnappen moest hij niet alleen heel sterk en atletisch zijn, maar had hij ook stalen zenuwen en slim verstopte sleutels nodig. Het ging een keer mis toen een akelige toeschouwer een stukje lood in een sleutelgat had gestopt. Houdini moest met een zaag worden bevrijd en controleerde sindsdien elk slot voordat hij aan de act begon.

Klok benadrukt in zijn rondleiding dat zijn werk wel degelijk gevaarlijk is en een uitstekende lichamelijke conditie beroepsvoorwaarde nummer één is. In de tentoonstelling hangt een foto van een ambulance voor een theater, als extra hint van illusionist Horace Goldin dat het er binnen gevaarlijk aan toe gaat met zijn Sawing a Woman in Half-illusie.

Affiche van Carl Hertz (Louis Morgenstein) die ‘The Vanishing Lady’ opvoert. Collectie State Library Victoria, Australië.

De tentoonstelling is superkindvriendelijk. Ook de kleinsten kunnen zich vergapen aan de filmpjes en apparaten en in elke zaal is er ook iets waarmee kinderen zich een illusionist kunnen noemen. Zij kunnen in een kist verdwijnen (en weer tevoorschijn komen), ze kunnen iemand door midden zagen en allerlei voorwerpen en een persoon laten zweven. Tijdens de rondleiding werden deze interactieve illusies voorgedaan door het jonge goocheltalent Gianni Marsie, die zijn haar al vast in de stijl van zijn grote voorbeeld Hans Klok had laten modelleren.

Verder worden in dat deel van de tentoonstelling nog wat zijpaadjes bewandeld, zoals het oriëntalisme en vrouwen in de goochelkunst. Veel goochelaars uit Europa en de Verenigde Staten kozen namen en kostuums, waarmee ze het publiek al direct in de mysterieuze en magische sfeer van het Midden of Verre Oosten duwden. Een niet-Joodse artiestennaam bood in verband met het nimmer afwezige antisemitisme een praktisch voordeel.

Er wordt in de tentoonstelling wel gewezen op een aantal vrouwen, maar zij zijn in de goochelkunst zwaar ondervertegenwoordigd. Hans Klok heeft daar wel een mogelijke verklaring voor: ‘In Azië is de verhouding man-vrouw in de goochelwereld trouwens wel gelijker, maar in het Westen zijn vrouwen meestal de assistent van de mannelijke hoofdpersoon en ze zijn ook bijna altijd de sjaak. Ze worden onthoofd of doorgezaagd.’ Zijn eigen show noemt hij wel geëmancipeerd, ‘want ik ben degene die wordt onthoofd of door een zwaard valt’. Er is door Elinor van Dommelen onderzoek gedaan naar die ongelijkheid. ‘Zij concludeerde dat vrouwen wellicht iets tegen magie hebben, als gevolg van de heksenvervolging die tot ver in de achttiende eeuw heeft bestaan. Vrouwen werden om de meest idiote redenen van magie beschuldigd, met de dood als gevolg. En dan maak je er maar liever niet je beroep van.’

Goochelattribuut gemaakt door Okito (Theo Bamberg). Bruikleen: Hans Klok

Magie in Nederland
In het Nederlandse gedeelte van de tentoonstelling is veel ruimte gereserveerd voor de zes Bamberg-generaties goochelaars-illusionisten, een goocheldynastie van 200 jaar. Eliaz Bamberg is de goochelaar-stamvader, die in zijn houten been allerlei goochelspullen kon verstoppen, en daarmee ook leden van het koningshuis heeft vermaakt, terwijl Theo Bamberg, alias Okito, als de laatste telg geldt. Of misschien past die ‘titel’ nog beter bij zijn in 1974 overleden zoon David, die als Fu-Manchú vooral in Latijns Amerika furore maakte met spectaculaire shows. Ook was hij te zien als goochelaar-detective in verschillende films. Geweldig is het affiche van de speudo-Chinees Fu-Manchú met een rijtje balletmeisje en wandelende skeletten.

Theo Bamberg vluchtte net op tijd naar Latijns Amerika, die uitweg was Cornel Hauer niet gegund. Deze topgoochelaar uit Wenen bleef in Amsterdam voor de liefde hangen en was als Larette vooral bekend vanwege zijn snelle kaart- en sigarettentrucs. Hij breidde zijn bedrijf uit met een goochelwinkel, die in de tentoonstelling prachtig wordt weergegeven. Amateurs en professionals kochten bij hem attributen en pasklare acts, die hij zelf maakte. Hij gaf ook les. Onder zijn klanten waren in het eerste jaren van de oorlog ook Duitsers. Ondanks zijn Joodse achtergrond waande Hauer zich veilig. Zijn Joodse ouders waren overgegaan tot het katholicisme en hij was getrouwd met een vrouw uit een Brabants katholiek gezin. Dat bleek een misrekening. Op 14 mei 1943 stonden twee Duitsers op de stoep. Het verhaal gaat dat hij tegen de soldaten zei dat hij nog even zijn jas wilde pakken, en toen heeft hij zelfmoord gepleegd. De winkel, Studio Larette aan de Willemsparkweg in Amsterdam, is tot 1955 open gebleven.

Betoverende tentoonstelling
De tentoonstelling laat duidelijk het verschil zien tussen de vingervlugheid en de psychologische afleiding die belangrijk zijn bij de goochelkunst en het enorme misleidende vernuft bij het illusionisme. Vaak combineren de artiesten, zoals Hans Klok, die twee vaardigheden. Langs de hele route wordt de bezoeker vermaakt met filmpjes, affiches, attributen en buitengewoon heldere en bondige informatieteksten. Heel interessant is het bordje dat Okito ophing in de zalen waar hij optrad, waarop in twee talen staat dat artiesten en theatermedewerkers niet op of in de buurt van het podium mogen komen tijdens zijn optreden. Ook al worden in de tentoonstelling hier en daar wel wat zaken achter de schermen toegelicht, de magische aantrekkingskracht van de wereld van het goochelen en het illusionisme wordt na het bezoeken van deze magische tentoonstelling alleen maar groter.

Bij de tentoonstelling hoort een weelderig uitgevoerde tijdschrift-catalogus, met onder meer een interview met Hans Klok. Ook bevat het magazine een overzicht van de aanvullende activiteiten, zoals een goochelworkshop voor kinderen en goochelvoorstellingen in de Museumnacht.

‘Ben Ali Libi, de goochelaar’
En dan is er nog Michel Velleman, afkomstig uit Groningen, die als Ben Ali Libi bloemen en duiven liet verdwijnen en weer verschijnen. Een charmante grappenmaker, die zelfs het koninklijk huis bereikte met zijn act. Op beeld zien we Joost Prinsen, die het bij de laatste drie coupletten en slotzin van het gedicht van Willem Wilmink nauwelijks droog kan houden.

Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond

Vergelijkbare berichten

Beoordeel dit post
LEES  Actieplan voor sterkere podiumkunsten: Vlaanderen en Nederland slaan handen ineen!