Stijn Devillé, een toneelschrijver, zet echte verhalen om in theatervoorstellingen na grondige research. Hij is voornamelijk gefocust op het begrijpen van structuren en situaties en hoe deze persoonlijk resoneren. In november deelde Devillé zijn inzichten tijdens een evenement voor toneelschrijvers georganiseerd door de Auteursbond in de Tolhuistuin in Amsterdam. Hij opende de bijeenkomst met de ‘Boyerlezing’, die elke twee jaar wordt gegeven ter inspiratie van schrijvers en ter herinnering aan Marian Boyer.

HET MOMENT VAN WAARHEID

Vooraf
Op een avond in Maastricht, tijdens de uitreiking van de Toneelschrijfprijs in 2006, ontmoette ik Marian Boyer. Marian en Ditte Pelgrom, namens het Platform Theaterauteurs, verzorgden die avond het programma. Het was een openbaring voor mij dat je rondom de theaterauteur en de theatertekst een dynamiek kon creëren om de auteur te ondersteunen, kennis te delen en uit de isolatie van het schrijven te komen. Sindsdien heb ik zoveel mogelijk Toneelschrijfdagen bijgewoond in Amsterdam, die me inspireerden voor mijn latere project Shakespeare is dead.

Jaren later, tijdens een late avond in mijn keuken in Leuven, deelden Marian en Gerard Kogelman hun ideeën over een kleine toneeluitgeverij, terwijl ze Vlaams trappistenbier dronken. Marian werkte toen aan haar derde roman, Een Kleine Storm, en besprak het idee om een toneeluitgeverij op te richten die zou fungeren als het geheugen van de Nederlandse theatertekst. Niet lang daarna werd de Nieuwe Toneelbibliotheek opgericht. Toen werd Marian ziek, en de laatste keer dat ik haar zag was eind 2013 in theater Bellevue. Kort daarna overleed ze.

Toen Frank Siera me enkele weken geleden vroeg om vandaag te spreken over mijn toneelwerk gebaseerd op waargebeurde verhalen, aarzelde ik geen moment. Niet omdat ik zo graag over mezelf of mijn werk praat, maar omdat het een eer is hier vandaag de Boyerlezing te mogen geven. Dank daarvoor.

Laten we het dus hebben over het waargebeurde verhaal.

1. Ware Verhalen
Amerikanen zeggen vaak “true story” als ze een ongelooflijk voorval beschrijven. Het klinkt ongelooflijk, maar het is echt gebeurd, wat het meteen spectaculair maakt. Luister goed. Dit moet je horen. Dit moet je zien.

Deze claim introduceert meteen een spanningsveld tussen echtheid en waarheid. Als we een gebeurtenis omzetten in een verhaal, trekken we het eigenlijk naar het rijk van fictie. Het is theater, het staat op het podium, in een schouwburg, uitgeschreven, uit het hoofd geleerd, geïnterpreteerd, gespeeld door acteurs. Je entreekaartje, de garderobe, het zaallicht dat uitgaat, de stilzwijgende overeenkomst tussen toeschouwer en acteur: dit alles maakt er fictie van.

Een verhaal is een constructie, een kader, een uitsnede. Net als een foto: je ziet wat er te zien is, maar niet wat erbuiten valt. Je ziet de keuze van de fotograaf, van de verhalenverteller. Hier zit opnieuw een spanningsveld, nu tussen wat getoond of verteld wordt en wie dat doet.

Wie is de eigenaar van het verhaal, van het portret? De geportretteerde of de fotograaf? Hier kom ik straks op terug.

En is de claim ‘gebaseerd op een waargebeurd verhaal’ of ‘geïnspireerd door een waargebeurd verhaal’ niet vooral een marketingtruc van de theatercommunicatie om in te spelen op het verlangen naar sappige details van het publiek, om een opgeklopte nieuwsgierigheid te bevredigen? Is een verhaal belangrijker omdat het gebaseerd is op een waargebeurde gebeurtenis?

LEES  Nederlandse theatermakers getroffen: Meta-blokkade raakt cultuursector!

Wat drijft de verteller (en dus de schrijver) van het waargebeurde verhaal?

In hoeverre raakt het verhaal, het portret, aan de waarheid, aan het echte leven? En hoeveel perspectieven zijn er op de waarheid? Leven we echt in een post-truth era?

2. LeCompte
Een belangrijke les die ik ooit leerde, kwam van theaterwetenschapper Geert Opsomer. Hij introduceerde ons, jonge dramastudenten, een uitspraak van de Amerikaanse regisseuse Liz LeCompte (Wooster Group). Volgens LeCompte bestaat een goede voorstelling uit een derde kroniek (de wereld, het tijdperk waarin het stuk zich afspeelt), een derde autobiografie (wat de kunstenaar meedraagt) en een derde vorm. LeCompte gaat hiermee voorbij aan de klassieke tweedeling tussen vorm en inhoud.

Of je het nu eens bent met haar uitspraak of niet, het biedt een interessant uitgangspunt om over theater, over toneelteksten (of andere kunstvormen) te praten.

Kroniek, Autobiografie, Vorm. Als je deze drie elementen op de punten van een driehoek zou plaatsen, ontstaat een interessant spanningsveld, een interessante lens om door naar een stuk of een kunstwerk te kijken. Voorbij het goed of slecht. Het werk van Woody Allen is hier een dankbaar voorbeeld van. Allen begint vaak bij zichzelf, zijn autobiografie, als een klunzige, Joodse intellectueel met een reeks psychologische kwesties, maar schetst tegelijkertijd een stedelijke kroniek van New York in de jaren ’70 en ’80. De vorm? Komedie, enigszins satirisch, soms met Brechtiaanse invloeden (zoals het doorbreken van de vierde wand). Een ander voorbeeld, nu we toch in Amsterdam zijn: André Hazes senior. Hij zong over zijn eigen leven en liefdes en schetste daarmee ook de kroniek van de Jordaan in de vorm van het levenslied. Kroniek, Autobiografie, Vorm. Als je dezelfde oefening probeert te doen voor een andere charmezanger, loop je waarschijnlijk snel vast.

Als het werk zich te veel in één hoek bevindt, riskeert het eendimensionaal te worden. Narcistisch of ijdel als het enkel om de autobiografie draait. Prekerig en moraliserend als het te veel naar de kroniek overhelt. Of maniëristisch of hermetisch als alleen de vorm een rol speelt.

Maar hoe verhoudt de kroniek zich tot de auteur zelf en andersom? Welke vorm geeft die aan diens verhaal? Zegt de vorm ook iets over de kroniek (bijvoorbeeld over de jaren zeventig?), of iets over de auteur zelf?

Ik breng dit ter sprake omdat het me een belangrijke vraag lijkt als we het hebben over waargebeurde verhalen. En niet alleen over waargebeurde verhalen als biografische verhalen. Maar als het om een biografisch verhaal gaat, vertelt het dan ook iets over de wereld en het tijdsgewricht waarin we leven? Gaat het biografische verhaal verder dan het particuliere? Of, omgekeerd, als het waargebeurde verhaal zelf een soort kroniek is, waar raakt het dan aan de autobiografie van de schrijver? Wat is de betrokkenheid van de auteur bij dit verhaal?

Waar wordt het persoonlijk? Ook voor de toeschouwer. Waar treedt herkenbaarheid op, en vervolgens herkenning? Waarmee kan ik me verbinden? Waar raakt het mij?

LEES  Ontdek de waarheid over Gerard Cox: Alles wat je dacht, kan nu weg!

Iemand zei ooit (en het is intussen vast al ontelbare keren herhaald, dus excuses), iemand zei ooit: zoals piloten vliegen oefenen in een simulator, oefenen wij het leven in het theater. Via een spel van herkenning en vertolking, inleving oefenen wij in empathie. We doorlopen mentaal verschillende scenario’s en onze spiegelneuronen gaan aan de slag. Is het de waarheid die zich voor onze ogen ontvouwt? Niet per se. Maar het ziet er wel echt uit. Waar-achtig. En deze oefening in inleven, in empathie is dus een soort what if-scenario. Wat als ik ook? Wat als ik in de schoenen van? De theatertekst als vluchtsimulator.

De ruimte die het theater op deze manier aan de toeschouwer biedt, is cruciaal. Toeschouwers moeten kunnen interpreteren. Hun waarheid vormgeven. Oefenen in het leven.

Voor mij persoonlijk gaat het bijna altijd om zo’n what if-scenario. Wat als ìk Leni Riefenstahl was? Of Rijkman Groenink? Of John Maynard Keynes? Ieder schrijven, iedere interpretatie, ieder vertolken resulteert in zekere mate in speculatie. Interpretatie vraagt menselijkheid en empathie, maar vereist ook afstand: de schilder moet soms terugtrekken van ezel en model, opnieuw observeren voordat hij terugkeert naar het doek. Je moet goed kunnen kijken, analyseren ook, je moet iets omzetten, vertalen, vertolken.

Ik vind mezelf niet zo’n bijzondere jongen. Daarom ga ik ervan uit dat de what if-scenario’s die mij raken, waarschijnlijk ook andere mensen zullen raken, ontroeren, verwarren, verontrusten, blij maken… Dat we elkaar wel zullen herkennen in het verhaal. En dat er op die manier verbondenheid ontstaat.

Die verbondenheid vind ik cruciaal. Ik zal dus niet zomaar opdrachtwerk aanvaarden om een waargebeurd verhaal naar het toneel te vertalen. Ik moet mezelf kunnen terugvinden in het materiaal.

3. Neveneffecten
Voor sommige theaters of opdrachtgevers is een waargebeurd verhaal misschien een hoofddoel, maar voor de auteur is het vaak slechts een neveneffect. Voor het opvoerende gezelschap biedt een waargebeurd verhaal de kans om een ander publiek te bereiken: mensen die direct betrokken waren bij bijvoorbeeld een ramp, zoals in de tekst Vuur van mijn collega’s Christophe Aussems en Els Theunis. Maar ook alle mensen die destijds over die ramp hebben gehoord. Of mensen die zich verbonden voelen met een thematiek, zoals ouders van verongelukte kinderen. Vuur gaat over een brand in een jongensinternaat in 1974, waarbij 24 tienerjongens omkwamen.

Op deze manier bereik je een publiek dat niet noodzakelijkerwijs een theaterpubliek is. Maar dat door het verhaal toch naar het theater komt. Ik vind dat erg legitiem en waardevol. Het plaatst het theater daar waar het hoort: midden in de samenleving. Het toont aan dat het theater er voor iedereen is, en dat alle verhalen er mogen verteld worden. Ik vind dat een groot democratisch goed.

Soms kan de impact van een waargebeurd verhaal op het toneel zelfs nog groter zijn. Door een verhaal centraal te stellen en het te delen met heel veel mensen, met alle ingrediënten van het theater, zoals dialoog, herkenning, inleving, drama, afstand, conflict. Zo kan een verhaal, een lijden, een pijn, een onrecht zichtbaar en invoelbaar worden gemaakt. Zo leidde Vuur, veertig jaar na dato, eindelijk tot gespreksavonden met nabestaanden en slachtoffers van de brandramp in 1974.

LEES  Ontdek de geheimen van Nederland's grootste componist: Nieuwe biografie onthult alles!

Nu kun je zeggen: ja, maar dat kan de krant, of een documentaire op tv, een non-fictie boek of een podcast toch ook. Dat klopt. Maar geen van die media beleef je samen, gelijktijdig, in één en dezelfde ruimte, van mens tot mens. De blik die een toeschouwer kan uitwisselen met een andere toeschouwer of met een vertolker, bij het zien van de voorstelling, het horen uitspreken van de tekst, en de wederzijdse herkenning die daaruit volgt, is onbestaanbaar bij het lezen van een boek of het beluisteren van een podcast. De kracht zit ‘m precies in het delen van dezelfde emotie met de andere aanwezigen, op hetzelfde moment en die zindering samen door de zaal voelen gaan.

4. Onderzoek
Ik heb – jeugdzonden niet meegerekend – een twintigtal avondvullende stukken geschreven. Die gaan bijna allemaal terug op een waargebeurde gebeurtenis. Soms historisch, soms actueel, soms autobiografisch, bijna altijd politiek. Je zou kunnen concluderen dat ik niet over veel verbeelding beschik. In elk geval gaat aan het schrijven altijd een lange periode van onderzoek vooraf. Voor Hitler is dood besteedde ik ongeveer vijf jaar aan het lezen van primaire en secundaire bronnen, verslagen en notulen van het Neurenbergproces. Ik vul notitieboekjes, maak aantekeningen, knip en plak, stel het eigenlijke schrijven steeds uit (want er is altijd nog een interessante bron die ik toch eerst moet…) en ga vervolgens studeren. Als voor een examen. Ik moet kunnen jongleren met mijn eigen onderzoek. Op zoek naar inzicht, naar structuur, maar ook naar personages: in een enkele handeling, een citaat, een anekdote.

Als je claimt een stuk te schrijven gebaseerd op een waargebeurd verhaal, lijkt het me belangrijk dat je je verhoudt tot de waarheid. Dat je een goed zicht hebt op wat er werkelijk is gebeurd, voordat je gaat schrijven. Feitenmateriaal bestudeert. De wisselende perspectieven onderzoekt. Verschillende stemmen beluistert.

Ik doe zelf altijd veel bureauresearch. Ik bestudeer wat over een zaak is verschenen in publicaties, boeken, artikelen, documentaires, interviews, websites, maar ook in rapporten, verslagen, notulen, wat verstopt zit in archieven en bureaulades. In tweede instantie raadpleeg ik specialisten, onderzoekers, professoren, journalisten

Vergelijkbare berichten

Beoordeel dit post