Het maken van theater tijdens een oorlogsperiode brengt unieke uitdagingen met zich mee. Op uitnodiging van het Ukrainian Institute, een organisatie gericht op culturele diplomatie, bezocht journalist Marijn Lems van Theaterkrant het nationale theaterfestival GRA in Kyiv. Hier sprak hij met diverse theaterprofessionals over hoe zij nog steeds worstelen met de erfenis van de Sovjet-invloed.
Recentelijk is er veel discussie geweest over de verdeeldheid tussen de staatsgestuurde theaters en het onafhankelijke theater in Oekraïne. We hebben een gesprek met Olga Diatel, producent van onder meer Opera Aperta en zelfverklaarde ‘ambassadeur van de onafhankelijke scene’. Zij benadrukt hoe diep de kloof is. ‘Het systeem van staatsgestuurde theaters, dat zijn oorsprong vindt in de Sovjettijd, ligt nog steeds aan de basis van onze culturele infrastructuur. Er is weinig veranderd; het is een systeem dat uniformiteit en een eenduidig idee van ‘goede kunst’ bevordert, en niet diversiteit. Er zijn projectsubsidies beschikbaar, maar het jaarlijkse budget is slechts een klein deel van het totale cultuurbudget, en staatsgestuurde theaters kunnen hier ook aanspraak op maken. Dit zorgt voor een grote onbalans in de verdeling van middelen. Het is positief dat er sinds de volledige invasie een theatergolf is ontstaan, maar dit resulteert vaak in meer entertainment dan kunst.’
Als reactie op deze situatie heeft Diatel samen met andere producenten het Antonin Artaud Fellowship opgericht, een beurs voor vernieuwende kunstenaars, gefinancierd vanuit het buitenland (onder andere door de EU en het Goethe Instituut). ‘We organiseren een open call, waarbij een jury drie tot vijf voorstellen selecteert. De geselecteerde kunstenaar krijgt dan twee tot drie maanden om onderzoek te doen en toe te werken naar een work-in-progress-presentatie, met een budget van in totaal 3000 euro [Levensonderhoudskosten in Oekraïne zijn ongeveer vier keer lager dan in Nederland]. Daarnaast bieden we mentorship en productieondersteuning, en koppelen we jonge producenten aan jonge makers.’
Diatel ervaart in haar werk de beperkingen die de oorlog met zich meebrengt. ‘Mannelijke makers zijn vanaf hun afstuderen dienstplichtig, en zelfs met een vrijstelling moeten ze elke keer officiële toestemming vragen als ze naar het buitenland willen reizen. In het kader van Gaia-24 betekent dit bijvoorbeeld dat we een cast hebben samengesteld die voornamelijk uit vrouwen bestaat, plus één man die nog studeert. De artistieke leiders, Illia en Roman, zijn beide officieel bipolair en zijn daarom vrijgesteld van dienstplicht.’
Anders dan ik enkele dagen geleden schreef, zijn zelfs werknemers van staatsgestuurde theaters niet altijd vrijgesteld van dienstplicht. Olga Baibak, uitvoerend directeur van het GRA Festival, legt tijdens een rondleiding bij de Nationale Operette uit dat de organisatie 50 procent van haar mannelijke werknemers mocht behouden, terwijl de rest naar het front moest. Wie binnen de organisatie die keuzes maakt, en op basis van welke criteria, is onbekend; het lijkt een zware verantwoordelijkheid.
Het gebouw van de Nationale Operette heeft een bijzondere geschiedenis. Het is in de negentiende eeuw gebouwd als conferentiecentrum en werd pas in 1907 als theater in gebruik genomen, waarmee het het eerste echte theatergebouw in de Oekraïense geschiedenis werd. Na de oprichting van de Sovjet-Unie werd het een plek waar voornamelijk kluchten werden opgevoerd, maar onder Stalin kwam de nadruk steeds meer te liggen op communistische propaganda. In 1934 werd het omgedoopt tot de Nationale Operette, kort na de Holodomor die aan ongeveer 4 miljoen Oekraïners het leven kostte, bedoeld om het volk te vermaken. Baibak: ‘Het muziektheater van toen was aan strikte regels gebonden. Musicals waren verboden, de thema’s moesten goedgekeurd worden door de autoriteiten en moesten optimistische verhalen vertellen over heroïsche arbeiders, terwijl alle westerse invloeden werden geweerd. Een gezegde uit die tijd was ‘Vandaag speelt hij jazz, morgen is hij een landverrader’.’
Na de Sovjettijd kostte het veel tijd om de Russische invloed af te schudden. Baibak: ‘In 2004 stond de Nationale Operette bekend als het slechtste theater van Kyiv. De nieuwe artistiek directeur die toen aantrad focuste op het vernieuwen van het repertoire, dat nog steeds sterk Russisch georiënteerd was. Sindsdien heeft de Operette grote stappen vooruit gezet. Als je naar de grote zaal kijkt, zie je dat deze niet als theater is gebouwd: het podium is relatief klein en er zijn nauwelijks coulissen. De organisatie is al vijftien jaar bezig met een renovatie, die vanwege de wens het theater open te houden alleen tijdens zomerstops plaatsvindt; tot COVID, toen werden grote stappen gezet.’
Tijdens de avondvoorstelling blijkt inderdaad dat het podium te klein is voor de ambities van de regisseur. To the mermaid’s easter (ook wel vertaald als On the water nymph’s Easter) is geen operette, maar een opera – of eigenlijk het eerste bedrijf van een onvoltooide opera – van de beroemde Oekraïense componist Mykola Leontovych. Leontovych was alweer een kunstenaar die door de Sovjets werd vermoord; dat is ook waarom zijn laatste opera onvoltooid bleef.
Regisseur Ivan Uryvskyi – die we deze week al twee keer eerder hebben gezien – maakt er een nogal male-gaze-vriendelijk spektakel van. De twaalf vrouwelijke zangers die de zeemeerminnen spelen, zijn gekleed alsof ze aan een Miss Universe-verkiezing meedoen (lange pruiken, bikini’s en badpakken, hoge hakken) en kirren erop los als er plotseling een verdwaalde Kozak tussen hen verschijnt. Ondertussen baden ze in het licht van de maan of gooien ze giechelend een bal naar elkaar over. In zijn Caligula en Macbeth had Uryvskyi ook al een handje van om vrouwelijke personages tot verleidster-archetypes te reduceren, maar hier maakt hij het wel erg bont.
De muzikale uitvoering is gelukkig uitstekend, en het libretto van Leontovych biedt voor een betere regisseur interessante inhoudelijke aanknopingspunten: in zijn update van klassieke folklore zijn de zeemeerminnen geen traditionele sirenes die mannen naar hun dood lokken, maar vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van (seksueel) geweld of uitsluiting en daarom tot waterwezens zijn getransformeerd en hun eigen enclave hebben opgebouwd. Uryvskyi doet daar echter niets mee, en creëert in plaats daarvan wat halfslachtige verwijzingen naar de klimaatcrisis die hij niet voldoende uitwerkt (de soldaat laat een pet-fles achter die vervolgens door een van de meerminnen wordt verfrommeld en in een afvalbak op de hoek van het podium wordt gedeponeerd).
Op mijn reis terug naar Amsterdam krijg ik van de organisatie nog te horen wie er op de slotceremonie van GRA in de prijzen is gevallen – met Gaia-24 en Process als de grote winnaars, en ook een prijs voor Military mama, een van de stukken die toneelschrijver Alina Sarnatska bij het Veterans’ Theatre maakte. De prijs in kwestie? ‘Beste voorstelling over de Russisch-Oekraïense oorlog.’ Een betere afsluiting van deze week, waarin de verbinding tussen cultuur, kolonialisme en oorlogsgeweld steeds terugkwam, is nauwelijks voorstelbaar.
Buitenlandse journalisten op Festival GRA, foto Valeriya Landar
Vergelijkbare berichten
- OM staakt vervolging tegen regisseur Zholdak na incident met danseres: Details onthuld!
- Breaking: Pierre Audi, befaamde regisseur, plotseling overleden!
- Top 10 Theatercadeaus: Perfect Voor Sinterklaas en Kerst!
- Nationaal Theaterweekend kaarten nu te koop: Mis het niet, reserveer snel!
- Grote Veranderingen bij Het Nationale Theater: Nieuwe Leiding Aangesteld!

Loes Bakker is onderwijsspecialist met jarenlange ervaring in beleid en praktijk. Haar bijdragen gaan over vernieuwing, digitalisering en pedagogische kwesties in het onderwijs. Ze legt onderwijsontwikkelingen kritisch bloot, altijd met een hart voor leerlingen, leerkrachten én een toekomstgericht onderwijssysteem dat iedereen gelijke kansen biedt.